10/05/2016

Kapitalisatie van de onderneming: klassieke misverstanden bij ondernemers

kapitaal

Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer, als bestuurder van een handelsvennootschap,  om de basisbegrippen met betrekking tot de kapitalisatie van het bedrijf, goed te begrijpen. Wat zijn de klassieke misverstanden daaromtrent?

 

Over de kapitalisatie van bedrijven doen nogal wat geruchten en misverstanden de ronde, terwijl enkele belangrijke punten miskend of over het hoofd gezien worden. Deze problematiek houdt nochtans nogal wat uitdagingen in voor de onderneming, haar aandeelhouders en derden.

In dit artikel willen we een aantal kernpunten verduidelijken zodat u een beter inzicht krijgt in deze complexe materie.

NB: Gezien de omvang van deze kwestie en al wat ermee verband houdt, is dit artikel niet exhaustief bedoeld; om het een beetje bevattelijk te maken hebben we hier en daar de zaken vereenvoudigd!

Wettelijk minimumkapitaal

Laten we het eenvoudige voorbeeld van een bvba nemen. Een vennootschap met deze rechtsvorm vereist een wettelijk minimumkapitaal van € 18.550 waarvan minstens 25 % (€ 6.220) bij de oprichting moet worden vrijgegeven (= ingebracht).

Dit lijkt voor de hand liggend en alom geweten, maar wat houdt dit precies in?

Vooreerst zijn deze € 18.550 of € 6.220 geen kostenpost, maar een wettelijke verplichting in termen van de minimale middelen die aan een volgens deze rechtsvorm opgerichte vennootschap moeten worden toegekend. Na aftrek van de notaris- en publicatiekosten, kan u het saldo van dit bedrag gebruiken als beschikbare fondsen om de activiteit van de vennootschap op te starten. Het kapitaal dat vrijkomt wordt dus een actiemiddel van de vennootschap, op het actief van de balans.

Dit lijkt misschien voor de hand liggend, maar is toch een klassiek misverstand bij het merendeel van de kandidaat-ondernemers!

Financieel plan voor de notaris en verantwoordelijkheid

In het geval van een bvba moet de ondernemer altijd een financieel plan aan de notaris voorleggen bij de oprichting van zijn  onderneming. Het doel is om, in geval van een faillissement binnen de 3 jaar en bij beroep door externe partijen, te kunnen nagaan of de vennootschap niet flagrant 'ondergekapitaliseerd' was bij de oprichting. Als dit wordt bewezen, kan de verantwoordelijkheid van het faillissement worden uitgebreid tot het privévermogen van de aandeelhouders, dus buiten de verantwoordelijkheid van de bvba. Maar dat is allemaal theoretisch: alleen in flagrante gevallen komt het zover.

Wettelijk minimumkapitaal <> economisch noodzakelijk kapitaal

Voor bepaalde vennootschapsvormen legt de overheid minimumdrempels van kapitalisatie op. Deze bedragen zijn forfaitair en zijn een van de vele parameters waarop ondernemers zich baseren bij het kiezen van een vennootschapsvorm.

Een veelvoorkomend misverstand bij startende ondernemers is dat de kapitalisatie van hun bedrijf 'in orde' is zodra ze € 6220 hebben verzameld (voor een bvba). Deze redenering klopt over het algemeen niet! Men moet namelijk een goed onderscheid maken tussen het wettelijk vereiste minimumkapitaal aan de ene kant, en het kapitaal dat nodig is voor het opstarten en ontwikkelen van de activiteiten van de vennootschap aan de andere kant. Hier hebben we het over de noodzakelijke financiële middelen en de soms complexe combinatie van financieringsmiddelen om aan deze behoeften te voldoen.

De echte vraag is dus niet wat het wettelijke minimumkapitaal is, maar wat de globale behoeften zijn van de vennootschap en welk kapitaalniveau deze inhouden.

Kapitaal of lening?

Wat de verwachte inbreng door de aandeelhouders betreft: is het noodzakelijk dat deze inbreng integraal in de vorm van kapitaal gebeurt? Nee, niet noodzakelijk. De aandeelhouder kan een deel als kapitaal inbrengen en een deel in de vorm van een lening. Deze 2e vorm van inbreng vertegenwoordigt dan een schuld van de vennootschap aan de aandeelhouder, in het algemeen 'rekening-courant' genoemd, en komt op het passief van de balans .

In het geval van een rentedragende lening, kan de aandeelhouder dus persoonlijk interesten innen, op basis van een gunstiger fiscaal regime dan de bezoldiging, en kan de interest afgetrokken worden van de fiscale boekwaarde van de vennootschap, in de vorm van financiële lasten. Bovendien kan, onder bepaalde voorwaarden, een financiële tegenpartij zoals bijvoorbeeld een bank in haar risicoberekening accepteren om deze vorm van inbreng te assimileren met het eigen vermogen van de vennootschap.

Enkele fouten om te vermijden:

  • (i) op juridisch, boekhoudkundig en fiscaal vlak vertegenwoordigt deze lening noch eigen vermogen, noch kapitaal,
  • (ii) de rente op deze lening ten laste van de vennootschap mag niet buitenmate groot zijn, zoniet kan deze bestempeld worden als een verkapte bezoldiging,

  • (iii) de eventuele opdeling tussen 'echt' vrijgegeven kapitaal en aan de onderneming toegekende lening moet gebaseerd worden op verschillende, voornamelijk financiële, parameters, en niet alleen op een streven naar fiscale optimalisatie.

Evolutie van het kapitaal en het eigen vermogen

De levensloop van een vennootschap is allesbehalve lineair, maar verandert voortdurend. Hetzelfde geldt voor haar kapitaal en bij uitbreiding voor haar eigen vermogen.

In de opstartfase zal de vennootschap over het algemeen een deel van haar kapitaal 'verbranden', omdat ze pas na verloop van tijd winst zal kunnen maken. Deze niet-winstgevendheid zal worden ondersteund door de middelen die door de aandeelhouders worden ingebracht en zal resulteren in een negatief bedrijfsresultaat, op het passief van de balans, dat het eigen vermogen zal verzwakken.

Omgekeerd zal, eens het bedrijf winstgevend wordt, het behoud binnen de vennootschap van de vrijgekomen winst het eigen vermogen doen toenemen (= autofinanciering).

De eerder vermelde financieringsbehoeften zijn evenmin lineair. Deze behoeften evolueren, soms zelfs in sterke mate, in functie van diverse factoren, eigen aan de vennootschap of aan haar context. Daarom kan het nodig zijn een kapitaalsverhoging (en in zeldzame gevallen een verlaging) door te voeren: bij langdurige of terugkerende niet-winstgevendheid, bij uitbreiding van het bedrijf zonder proportionele toename van het eigen vermogen, bij de ontwikkeling van (nieuwe) producten of de intrede op nieuwe markten, bij specifieke investeringen, fasen van versnelling, enz.

Solvabiliteit

De kredietwaardigheid van een bedrijf wordt gemeten aan de hand van de mate waarin ze in staat is haar verplichtingen via eigen middelen na te komen. Het is daarom een goede indicatie van de financiële gezondheid van een bedrijf en, meer in het algemeen, van de bedrijven binnen een regio, een land of een economische/monetaire zone.

Er zijn verschillende manieren voor het berekenen van de kredietwaardigheid, maar het principe blijft hetzelfde: het niveau van het eigen vermogen (bestaande uit de som van kapitaal en zelffinanciering) wordt vergeleken met het totaal van de balans van de onderneming (of de totale schuldenlast). Het eigen vermogen wordt vaak gecorrigeerd, met name door het toevoegen van de rekening-couranten, indien stabiel, aan het passief ... en door deze van het actief af te trekken!

Het belang van voldoende kapitaal en solvabiliteit is niet alleen cruciaal voor de onderneming zelf, maar evenzeer, of nog meer, in de ogen van derden die met de vennootschap te maken hebben en in het bijzonder de tegenpartijen voor financiering zoals de banken.

Notionele interest

In deze solvabiliteitsoptiek is het zo dat de solvabiliteit van een bedrijf hoger wordt ingeschat naarmate het percentage aan eigen vermogen hoger is. Er bestaat echter geen fiscale stimulans om het eigen vermogen te maximaliseren, terwijl de staat alle belang heeft bij een stevig economisch gestel. Paradoxaal genoeg kreeg de schuldfinanciering dan weer wel een fiscale stimulans, via de aftrekbaarheid van de rentelasten.

Daarom heeft de Belgische wetgever het eigen vermogen van vennootschappen gevestigd in België willen stimuleren door het creëren van een originele fiscale stimulans: de mogelijkheid om 'fictieve' interesten af te trekken naargelang het volume van het eigen vermogen, op dezelfde manier als de (reële) interesten van een financiële schuld. Wil u meer weten of de aftrek van notionele interesten, dan kan u alvast terecht op de site van de FOD Financiën.

Alarmbelprocedure en onderneming in moeilijkheden

Maar wat gebeurt er als de vennootschap een (te) groot deel van het eigen vermogen 'verbrandt'?

Vanaf wanneer en onder welke omstandigheden wordt dit mogelijk een probleem?

Deze vraag moeten we vanuit 2 invalshoeken bekijken: aan de ene kant de juridische, in verband met de 'alarmbelprocedure', en aan de andere de voorwaarden van toegang tot financiering en bepaalde hulpmaatregelen.

Juridische invalshoek: Alarmbelprocedure

Als het eigen vermogen van een vennootschap (NV, bvba, cvba) beperkt is tot een bedrag lager dan de helft van het geplaatste kapitaal, is het nodig om de 'alarmbelprocedure' in gang te zetten. Dit legt het bestuursorgaan van het bedrijf de verplichting op een speciaal verslag op te stellen en een algemene aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen binnen de twee maanden om te beslissen over het al dan niet voortzetten van de vennootschap en eventuele herstelmaatregelen. Deze procedure is opnieuw aan de orde wanneer het eigen vermogen minder dan een kwart van het geplaatste kapitaal bedraagt.  

Bij niet-naleving van deze procedure, is er een (weerlegbaar) vermoeden van aansprakelijkheid van de bestuurders voor schade berokkend aan derden. De gevolgen van niet-naleving zijn dus niet gering. Dit is des te belangrijker omdat veel bestuurders van (kleine) bedrijven deze regels niet kennen.

Bovendien moet worden opgemerkt dat het naleven van de alarmbelprocedure bestuurders niet vrijwaart van mogelijke aansprakelijkheid als het bedrijf haar activiteit onder duidelijk ontoereikende kapitalisatievoorwaarden verderzet.

Dit houdt in dat de verantwoordelijkheid van bestuurders van een vennootschap in deze gevallen buiten het kader van de beperkte aansprakelijkheid van de vennootschap valt en een weerslag heeft op het privévermogen van de aandeelhouders.

Bekeken vanuit de toegang tot financiering en bepaalde steunmaatregelen

In het algemeen riskeert een bedrijf waarvan de solvabiliteit voor, maar vooral na een potentiële financieringstransactie laag wordt ingeschat, een weigering van de bank. Dit is systematisch zo als het eigen vermogen omzeggens nul is, of zelfs negatief.

Bovendien kunnen er voor bepaalde openbare steunmaatregelen - Belgisch of Europees - eisen gesteld worden op het gebied van de minimumdrempel qua solvabiliteit of de financiële structuur in het algemeen. Zo zal een bedrijf dat boekhoudkundig beschouwd wordt als "onderneming in moeilijkheden" (parallel met de alarmbellogica) eenvoudigweg uitgesloten worden van toegang tot dergelijke steunmaatregelen. Om opnieuw in aanmerking te komen, zal het bedrijf tot een kapitaalsverhoging (of -verlaging) moeten overgaan.

Conclusies                 

We hebben hier enkel een paar kernpunten aangehaald met betrekking tot de kapitalisatie van handelsvennootschappen, zonder echt in detail te treden. Maar het is duidelijk dat het de verantwoordelijkheid is van een ondernemer of bestuurder van een handelsvennootschap om deze punten te integreren en te begrijpen, zodat hij zijn rol beter kan uitoefenen en de duurzaamheid kan verzekeren van zijn onderneming, haar activiteiten en het personeel.

Auteur/Organisatie: 
impulse.brussels - Rodolphe d'Udekem

HEEFT U VRAGEN?

info@1819.brussels
bel 1819

Ma-Vr van 08:30 tot 13:00
en Di van 17:00 tot 19:30

Dienst gratis behalve kost van lokale oproep

infopoint 1819

Ma-Vr van 13:00 tot 17:00

Charleroisesteenweg 110, 1060 Brussel

Meer weten ?

Abonneer u op onze nieuwbrief

  • Tweewekelijks
  • Gratis
  • Meer dan 22000 abonnees

Follow us